De geschiedenis achter de erepenning van Naarden 1814

Hieronder is letterlijk (inclusief de oud Nederlandse schrijfwijze) overgenomen de beschrijving van het beleg van Naarden uit het boek Gewapende Burgermacht te Amsterdam (Schutterij) 1796 - 1889 door J.A. Jochems, kapitein-adjudant van het regiment schutterij gedrukt bijde stad-drukkerrij te Amsterdam in 1890.

Zoals uit de geschiedenis der omwenteling in 1813 bekend is, kwamen in de maand November in ons land en dus ook te Amsterdam allerlei verontrustende tijdingen, een gevolg van den herhaalden tegenspoed der Fransche legers in Duitsland ter oore van de Fransche bevelhebbers.
Te Amsterdam, waar zich de Fransche Divisie-generaal Molitor bevond, openbaarde zich bij herhaling een voor de Franschen ongunstige stemming, niet allen bij het volk, maar ook bij de burgerij uit alle klassen. Dit in verband met de verschijning van kozakken op vele plaatsen van ons land, een nadering der troepen van de verbonden Mogendheden aankondigde, deed Molitor besluiten den 14den November met de gewapende douaniers (tolbeambten) en het 800 man sterke strafbataljon, dat met eenige veteranen de bezetting Amsterdam uitmaakte, op Utrecht terug te trekken, om, gelijk hij den 20sten November aan Kolonel Gysbert Carel Rutger Reinier van Brienen, commandant der nationale garde, schreef: "se rapprocher dus theatre des operations militaires et garantir le territoire". (vertaling: om dichter bij het strijdtoneel te komen en het gebied te beveiligen). Reeds in den avond van den 15den gaf het gemeen van Amsterdam lucht aan zij haat tegen de Franschen door onder den uitroep van "Oranje Boven" de wachthuizen der douaniers, ofschoon die perceelen stadseigendom waren, te verbranden en overal de uithangborden, die van den Keizerlijken Adelaar waren voorzien, af te rukken. Door het beleid van den Kapitein Anton Reinhard Falek van de 1ste compagnie 1ste cohorte der nationale garde, werden de ongeregeld heden gestuit.

Bij deze gelegenheid onderscheidde zich de Kapitein Maarten Backer W. Csz. Commandant der 3de compagnie 2de cohorte en de Kapitein Pierre Charles Louis de Wolff, der 4de compagnie 4de cohorte, die in zijn poging om de oproerlingen te verdrijven, drie sabelhouwen op het hoofd kreeg, die hem zijn bewustzijn deden verliezen. Evenzeer onderscheidde zich de Kapitein Hendrik van Castrop, commandant der 2de compagnie 4de cohorte, door de maatregelen, die hij ter bescherming van het Militair Hospitaal nam.
Kolonel van Brienen riep vier en twintig der voornaamste ingezetenen op, om een Provisioneel bestuur te vormen. Twintig, want vier waren afwezig, verschenen nog dien zelfden avond in de Vroedschapskamer, waar Kapitein Falck namens Kolonel van Brienen hen wees op de noodzakelijkheid om het Volk tot kalmte te stemmen door het aanstellen van een Bestuur waarop het kon vertrouwen. De Adjunkt-maire Charle (de maire van Brienen was afwezig) legde zijn post neer tegen een schriftelijk bewijs dat de officieren der nationale garde hem voor ontslagen rekenden. Hierop vestigde zich een bestuur uit zeventien der opgeroepen personen, die Mr. J.C. van der Hoop tot Voorzitter kozen.

De eerste afkondiging was een kennisgeving van hunnen aanstelling aanvangende: "Het Provisioneel Bestuur der stad Amsterdam, geïnstalleerd bij Publicatie van den Heer Kolonel-en-chef van de schutterij, gedaan op heden, notificeert bij deze dat hetzelve zich heeft geconstitueerd en …………." In een derde afkondiging op 18 November uit het bestuur de hoop, dat de orde voor het vervolg niet zal worden gestoord en zegt "dat deze gelukkige en spoedige" uitslag, naast God, grootendeels te danken is aan de onvermoeide pogingen zoowel "van de heeren Officieren en manschappen der Gewapende Burgermacht, als van zoodanige ingezetenen, die, hetzij te paard of te voet in dezen dienst gedaan hebben"; hierna volgt onder meer een dankbetuiging.
Met de ingezetenen te paard werd bedoeld een vrijwillig ruiterkorps door Wilhem Willink met medewerking van de heeren Severijn, Temminck en den Ontvanger-generaal Bicker opgericht, die tot 300 man aangroeide en in het verrichten van patrouilledienst door de stad, de nationale garde krachtdadig ondersteunde.
De voormalige Brigade-generaal der genie in Fransche dienst Cornelis Rudolphus Theodorus Kraijenhoff werd den 24sten November aangesteld tot gouverneur van Amsterdam en omliggende forten, terwijl de vroegere Schout-bij -nacht bij de Fransche Marine Gerrit Verdooren op denzelfden datum in het 1e Arrondissement van Hooland werd belast met de regeling der zeezaken, terwijl hij eenige dagen daarna benoemd werd tot admiraal van de Zuiderzee.

De eerste maatregelen door Generaal Kraijenhoff genomen, golden het verzekeren van de toegangen tot de hoofdstad, het aanwenden van pogingen om in het bezit te geraken van de vestingen Muiden en Weesp en tot het insluiten van Naarden wanneer de Fransche bezetting het ontruimen der vesting weigerde.

Daags na het plegen der ongeregeldheden te Amsterdam op den 16den November 1813, die zoo krachtig door de nationale garde waren gestuit, had Generaal baron Quetard de la Porte commandant van de vesting Naarden, het volgende besluit afgekondigd.:

Art 1: De Stad Naarden wordt in staat van beleg verklaard.
Art 2: Alle verstandhouding met den vijand en met de opstandelingen is verboden onder bedreiging der straffen bij het Fransche Militaire Wetboek bepaald. De beschuldiging zullen voor een militaire vierschaar te regt staan.
Art 3: Alle beleedigingen , uitdagingen of dadelijkheden van een burger tegen een militair zullen door deze vierschaar naar dezelfde wetten gestraft worden.
Art 4: enz. enz.

De Generaal Wapen-Commandant,
Baron Quetard de la PorteIn

In de vesting waren pl. m. 1700 man, waaronder 400 man van de bezoldigde garde van Amsterdam, onder bevel van Kolonel Christiaan Ludwig von Pfaffenrath; 400 man nationale garde van Naarden en van het regiment Texel onder Kolonel Henry; 400 man douanen, gecommandeerd door Luitenant-kolonel Grandidier; een compagnie Fransche artillerie, ter sterkte van 100 man met den Kapitein Bardinet tot commandant, benevens een compagnie Fransche veteranen onder het bevel van den Luitenant-kolonel Blanchet.
Aan den Majoor von Elsenvanger commandant van een eskadron kozakken, die Weesp had bezet, werd den last gegeven zich n het bezit te stellen van Muiden, dat bezet was door 250 man der nationale garde van het regiment van Texel, onder bevel van den Luitenant-kolonel Viruly en negen kustkanoniers ter bediening van een 3 ponder. Generaal Kraijenhoff zond den 30sten November uit Amsterdam twee 3 ponders met een detachement artilleristen onder den Kapitein der artillerie Johannes Wilhelm Sturler naar Weesp en liet op den 1sten December het door een detachement infanterie onder den Kapitein Jan Daniël van Holij bezette Diemerbrug versterken door den 1sten Luitenant der artillerie Floris Adriaan Teyler van Haal met een 3 ponder en 7 artilleristen.

Terwijl op dienzelfden dag de troepen uit Diemerbrug en Weesp in de richting van Muiden oprukten, reed de Majoor von Elsenvanger met zijn kozakken van Wesp tot het Hakkelaarshek, trok daarna langs den Naarder straatweg de vesting Muiden, bijna zonder tegenweer te ondervinden, binnen, daar de bezetting, door har geheele aandacht te wijden aan de uit Weesp en Diemerbrug aanrukkende troepen, de omtrekkende beweging der kozakken iet of althans te laat gewaar was geworden. Aan den Luitenant-kolonel commandant van het 4de bataljon Amsterdamsche Schutterij M.P. Brants werd opgedragen te Weesp en Muiden in naam van den Prins van Oranje nieuwe besturen aan te stellen. Den 6den December zond generaal Kraijenhoff een parlementair naar Naarden, die echter werd afgewezen. Aangezien de vijand de bewijzen gaf niet te willen onderhandelen werd het insluit van Naarden noodzakelijk, wild men de inwoners der omliggende dorpen vrijwaren tegen een herhaling van reeds op 28, 29 en 30 November aangevangen uitgebreide strooperijen.
Op den 10den December gaf Generaal Kraijenhoff last tot het bijeen trekken van een observatiekorps en droeg het bevel daarover op aan zijn adjudant den Kolonel Johannes van den Bosch. Dit korps bestond uit de oprichting van ruim 650 man infanterie onder bevel van den Luitenant-kolonel Jan Willem Grunenbosch; 50 dragonders te voet onder den Ritmeester Carel Friedrich von Stadel benevens 18 onderofficieren en minderen der artillerie met twee 3 ponders.

Aan den Kolonel van den Bosch werden toegevoegd een kapitein tot adjudant, drie ingenieurs (een kapitein en twee 2de Luitenants) een chirurgijn-majoor met vier aide-chirurgijns en als agent van oorlog den heer Ten Bosch.

Den 11den December vertrok het korps naar Weesp en den volgenden dag naar 's Gravenland, waar van den Bosch zijn hoofdkwartier vestigde. In de laatste dagen van December werd de cavalerie versterkt met een detachement van 108 paarden onder bevel van den Majoor Dirk Rudolf Bisdom van het 1ste regiment dragonders en kreeg de artillerie een versterking van 15 stukken geschut, waaronder twee 6 ponders en twee houwitsers, terwijl een landstorm ter sterkte van 1200 man werd opgericht uit de inwoners der om de vesting gelegen dorpen, die voor zover zij niet van jachtgeweren waren voorzien, met pieken werden gewapend.
Muiden, waar intusschen tot commandant was benoemd Majoor F.L.H. Kamps, werd den 11den December bezet door het 1ste bataljon Amsterdamsche schutterij. Dit bataljon had een sterkte van 9 officieren, 22 onderofficieren en 371 minderen, onder bevel van Kapitein Jacob Hendrik Talbot.
Te Uitermeer werd een bezetting gelegd van twee compagnieën van het 5de bataljon Amsterdamsche schutterij, ter sterkte van 2 officierne, 93 onderofficieren en minderen onder bevel van Kapitein Warnar Veenhuysen, commandant der 1ste compagnie van dat bataljon. Op zaterdag den 18den December werden deze troepen door anderen afgelost, welke aflossing daarna geregeld om de veertien dagen op Zaterdag plaats had, totdat in Maart de geheele Amsterdamsche Schutterij werd opgeroepen, om aan het beleg van Naarden deel te nemen. Even als thans nog bij het leger gebruikelijk is om, ter plaatse waar de Staf van het Korps ligt, de troep, bij garnizoensverandering der bataljons met de muziek in te halen en uitgeleide te doen, werd deze onder den Kapelmeester Philipus Christiani gelast de vertrekkenden uitgeleide te doenen de terugkeerenden in te halen.

De macht, die met inbegrip van de bezetting te Uitermeer om Naarden was samengetrokken telde pl. m. 1200 man, kort daarna verstrekt met 257 man infanterie van linie onder bevel van den Kapitein Hendrik Valkenburg en eenige artilleristen. Weesp was, behalve door de Weesper schutters, ook door een eskadron kozakken bezet, zoo als reeds gezegd is. Om tegen de vesting iets van belang te ondernemen beteekende deze krijgsmacht te weinig en bepaalde zich haren werkkring aanvankelijk in hoofdzaak tot de insluiting en het terugdrijven van 's vijands uitvalstroepen. Behalve Muiden en de Uitermeersche Schans, die zooals we gezien hebben door de Amsterdamsche schutters bezet waren, werden de dorpen Bussum en Oud-Naarden als hoofdposten, Huizen en Laren als reserveposten en de Leeuwenberg en Oud-Bussum als tusschenposten bezet, terwijl de hoofdwacht van het observatiekorps van Kolonel van den Bosch te 's Graveland bleef. 

's Gravenland, Hilversum, Bussum en Huizen werden gedekt door piketter der kozakken, terwijl de schutters, die te Muiden lagen en onder het algemeen bevel stonden van Majoor Kamps, hunne voorposten hadden uitgezet bij Muiderberg, aan het Hakkelaarshek en het Ro-molentje. Den 14den December rukte Kolonel van den Bosch met 180 man uit om een retranchement aan de Karnemelksloot te vermeesteren, dat door den vijand was bezet en hem wegens de ligging tusschen Naarden en 's Graveland moest worden ontnomen, zoowel om de vesting geheel te kunnen insluiten, als om den vijand te beletten de bij te 's Gravenland gevestigde hoofdmacht te verontrusten. Na eenige schermutselingen verliet de vijand het retranchement, dat daarop door van den Bosch werd bezet. Op den 16den December waagde de vijand des morgens te 8 uur met 300 man en een 3 ponder onder bevel van Kolonel Falba een uitval in de richting van Oud-Bussum, bij welke gelegenheid hevig werd gevochten. Zeer onderscheidde zich de Kapitein Philip Jacob Appel van de linietroepen. De uitvallers moesten terugtrekken en kwamen te 2 uur weer binnen de vesting. Evenzeer mislukte een uitval op den 21sten met het doel Bussum om te trekken.

Den 25sten December verzwakte de sterkte der observatietroepen door het vertrek van het eskadron kozakken, in welk gemis Generaal Kraijenhoff voorzag door Weesp te bezetten met het 3de bataljon der Amsterdamsche schutterij, sterk 4 officieren, 22 onderofficieren en 315 minderen, onder bevel van Kapitein George Lodewijk Lepeltak. De 1ste Luitenant Roelof Papegaay en de 2de Luitenant Thomas Johannes Houtman met hunne onderhoorige Weesper schutters werden bij dit bataljon ingedeeld en bleven voor het vervolg ook deel uitmaken van de bataljons, die elkander achtereenvolgens te Weesp aflosten.
De bezetting schutters van Uitermeer werd sedert 25 December verminderd tot 27 onderofficieren en minderen onder bevel van een luitenant, welk detachement dagelijks werd versterkt door 1 sergeant, 2 korporaals en 20 schutters van het bataljon te Weesp.

Om de hoofdmacht der troepen onder Kolonel van den Bosch, die gekantonneerd waren, weer te concentreeren, werden in December onder opzicht van de genie-officieren twee rieten barakken in de nabijheid van het hoofdkwartier gebouwd, die in het begin van Januari door de troepen werden betrokken.
Op den 1sten Januari 1814 bestond het observatiekorps uit het 2de bataljon schutterij te Muiden onder bevel van den Luitenant-kolonel Schuyt van Castricum ter sterkte van 9 officieren, 21 onderofficieren en 358 minderen; het 3de bataljon schutterij te Weesp onder bevel van Kapitein Lepeltak, ter sterkte van 4 officieren, 22 onderofficieren en 315 minderen pl. m 100 man infanterie van linie, 200 cavaleristen en 100 artilleristen, benevens de landstorm der omliggende dorpen, terwijl den 12den Januari uit Amsterdam een versterking werd ontvangen van 100 man scherpschutters met dubbele jachtgeweren gewapend en opgericht door den heer Arent Rooseboom, die hen in den rang van kapitein commandeerde.

Het artillerie-materieel, waarover kon worden beschikt bestond uit vier 6 ponders, vijf 3 ponders en twee houwitsers van 7,5 centimeter. Nadat Generaal Kraaijnhoff bij herhaling vruchteloos te overgaaf van de vesting langs vreedzamen weg had trachten te verkrijgen, besloot hij over te gaan tot een bombardement.
Waarschijnlijk om door eenig machtsvertoon kracht bij te zetten aan den eisch tot overgaaf van de vesting, door een parlementair nogmaals op 19 Januari beproefd, liet de generaal gelijktijdig al de beschikbare troepen naar de vestig oprukken. De commandant van Muiden Majoor Kamps rukt met het vijfde, geheel uit vrijwilligers bestaande, Amsterdamsche schutterij-bataljon onder den Luitenant-kolonel Nuboer met een compagnie artillerie en een afdeeling afgezeten cavalerie naar het Hakkelaarshek, terwijl Kolonel van den Bosch met de geheele reserve en den Landstorm naar Bussum marcheerde. De generaal hoopt door dit machtsvertoon den vijand te nopen tot onderhandelen, doch ook dit werkte niets uit en bleef men weigeren, waarop tussen 12 en 2 uur van de zijde van Bussen 38 granaten geworpen werden, waarvan 19 in de vesting vielen. Dit vuur werd uit de vesting door een hevig geschutvuur beantwoord. 

De bezetting der vesting kreeg, ofschoon ruim voorzien van munitie, langzamerhand in het laatst van Januari gebrek aan levensmiddelen en ten gevolge van den strengen winter ook aan brandhout.
Om hierin door fourageering te voorzien werden op de 3den , 4den , 5den , 6den , 11den en 13den , Februari in verschillende richtingen uitvallen gedaan, waarbij het gelukte hout, hooi en stroo binnen de vesting te halen, waartoe de hooischuren van de hofsteden Berghuis, Pannenhuis, de Stolp en anderen den voorraad leverden en het is vreemd dat die voorraadschuren voor den vijand, zoo die niet ten behoeve van het observatiekorps konden worden leeggehaald, niet reeds vroeger waren in brand gestoken. Bijna zeker lag de eerbiedingen van een anders eigendom ten grondslag tot deze fout, doch met het oog op het voordeel dat de vijand daarvan kon hebben, was het niet nemen van maatregelen tot ontruiming of vernieling niet gewettigd.
Den 14den Februari herhaald de bezetting met nog meer stoutmoedigheid des morgens ten 9 uur op nieuw een uitval. De Kolonel Pfaffenrath trok met 200 man en twee stukken geschut de Amsterdamsche poort uit, met het doel een fourageering te dekken en wellicht zoo mogelijk tot Muiderberg door te dringen. De Majoor Kamps rukt met een gedeelte van het 3de bataljon Amsterdamsche schutterij en de artillerie uit en liet deze onder bedekking der schutterij, stelling nemen op den Zeedijk en aan de Hakkelaarsbrug, waarop de vijand zich, nadat een hevig vuur op hem geopend was, binnen de vesting terugtrok.
Den volgenden dag werden de posten aan het Hakkelaarshek en te Muiderberg verstrekt door het maken van doorsnijdingen en het opwerpen van borstweringen, terwijl uit Amsterdam artillerie werd gezonden om deze posten sterk te kunnen bezetten. Het bevel over de post Muiderberg werd opgedragen aan den 2den Luitenant Pieter van den Hummel, die zich bij de laatste uitvallen des vijands bijzonder had onderscheiden.
Tot dusver had men zich door onvoldoende middelenmoeten bepalen tot een observeren van de vesting, doch na de overgaaf van Gorinchem geraakte de regeering in 't bezit van kanonnen en mortieren.
Deze werden ter beschikking gesteld van den Gouverneur-generaal Kraijenhoff terwijl door de groote werkzaamheid van den Admiraal van de Zuiderzee Verdooren een belangrijke hoeveelheid artillerie uit het Marine-arsenaal werd verkregen. Door deze aanwinst aanzienlijk versterkt, oordeelde Kraijenhoff het wenselijk van observeeren tot belegeren over te gaan.

Den 6den Maart vervaardigde Generaal Kraijenhoff te Amsterdam een dagorder uit aan de schutterij, waarin hij zegt: "nadat hij met de levendigste tevredenheid heeft opgemerkt de gezeleerde conduite en goede krijgstugt, welke door het gemelde korps in het Blocus van Naarden onafgebroken zijn gehouden en dat hij staat makende op de voortduring van eenen geestdrift, die dezelve zoo eervol kenmerkt, ook bereidvaardig Z.K.H. onzen geëerbiedigden Souverein heeft geadieerd met het verzoek, dat de Amsterdamse schutterij in haar geheel zoude blijven en op den tegenwoordigen voet in haren dienst zoude mogen continueeren tot dat de vesting Naarden zal bemachtigd zjin". "Verder vervolgt de generaal dat hij voor de schutterij een post van eer in de ophanden zijnde begelegering der vesting heeft bewaard dat diensvolgens zoodra de middelen voor een krachtdadig beleg zullen zijn aangevoerd, de geheele schutterij de voor haar bestemde positiën zal betrekken en aldaar onmiddellijk onder mijne oogen de bemachtiging der sterkte zal helpen volbrengen ……………" De order wordt besloten met den last dat het korps zich van dat oogenblik moest gereed houden om op het eerste bevel naar zijne bestemming te marcheren. De Generaal nam den 11den Maart het bevel over het belegeringskorps op zich, benoemde tot zijn adjudant de Kapitein-ingenieur Jan David van Schelle en vestigde zijn hoofdkwartier te Weesp.

De belegeringstroepen weden aldus verdeeld: De rechtervleugel, onder bevel van Kolonel van den Bosch, zich uitstrekkende van de Karnemelksloot tot de Zuiderzee bij Oud-Naarden. Het hoofdkwartier te 's Graveland. Deze vleugel werd samengesteld uit twee infanteriebataljons van linie, twee detachementen cavalerie waarvan een afgezeten, het korps scherpschutters van Rooseboom, het 3de bataljon schutterij onder bevel van den tot Luitenant-kolonel bevorderden Kapitein George Lodewijk Lepeltak te Hilversum en Huizen gekantonneerd en een korps van bijna 300 matrozen en mariniers onder bevel van den Kapitein-luitenant ter Zee Jean Frederik Christiaan Waardenburg in kantonnement te Laren en Blaricum. Voorts nog 160 man artillerie van het 4de artileriebataljon onder den Majoor Jan George Michael. Het artilleriematerieel bestond in Maart uit 4 kanonnen van 30 pd., 4 van 24 pd., 2 van 12 pd., 4 van 6 pd., 5 van 3 pd., eenige houwitsers van 8, 7,5 en 5,5 cm, en 3 mortieren van 7,5 cm.

Het centrum, waarvan het hoofdkwartier te Weesp was geplaatst en waarover aan den Kolonel der infanterie van linie Abraham Rittner het bevel was opgedragen. Dit strekte zich uit van de Karnemelksloot tot het Muider zandpad en werd samengesteld uit het 2de en 4de bataljon Amsterdamse schutterij onder de bevelen van de Luitenant-kolonels Albertus Johannes Schuyt van Castricum en Hendrik van Castrop. De beide bataljons waren met inbegrip van de officieren 720 man sterk en detacheerden naar een voorpost aan de Ankeveensche brug 4 officieren en 150 man. Voor den 10den Maart had de commandant van de 4de compagnie 2e bataljon der Amsterdamsche schutterij David Mattheus van Gelder de Neufville aldaar het bevel gevoerd. Na dien tijd werd de Luitenant-kolonel van Castrop met het bevel over die post belast en de Luitenant-kolonel Schuyt van Catricum tot commandant van Weesp benoemd. Verder behoorden tot het centrum de Amsterdamsche burger-artillerie, aangevoerd door den Luitenant-kolonel Albertus Schippers ruim 50 man ster en een detachement artillerie van het leger van ongeveer gelijke sterkt onder bevel van Kapitein Jan Obdam.

De linkervleugel onder bevel van den commandant van Muiden den Majoor Kamps. Deze vleugel strekte zich uit van den trekvaart tegenover het Muiderzandpad tot aan de Zuiderzee bij Muiderberg. Tot de samenstelling van deze vleugel werden aangewezen het 1ste en 5de bataljon Amsterdamsche schutterij onder de bevelen van de Luitenant-kolonels Jacob Hendrik Talbot en Hendrik Jacob Nuboer, te samen met inbegrip van officieren 675 man sterk, een detachement artillerie van het 4de artillerie-bataljon, ter sterkte van 80 man, met inbegrip van officieren onder bevel van den Kapitein Johannes Wilhelm Sturler en een detachement infanterie van het 13de linie-bataljon, sterk 4 officieren en 60 minderen. 

De totale sterkte van het belegeringskorps was op 11den Maart 43 a 4400 man, waaronder de officieren en onderofficieren. 

In het begin van April vertrok het detachement dragonders te voet onder bevel van den tot Majoor bevorderden Ritmeester van Stadel, dat thans een sterkte had van 7 officieren en 143 man, waarvoor den 19den April in de plaats kwamen twee detachementen linie-infanterie, ter sterkte van 450 man onder de bevelen van den Luitenant-kolonel Willem Poolman en den Majoor Rost van Tonningen.
Tot dekking van het dorp Huizen werden die detachementen in de stellingen bij Oud-Bussum en Valkeveen geplaatst, aangezien de Kolonel van den Bosch van deserteurs en krijgsgevangene uit de vesting had vernomen, dat de vijand het voornemen had om met alle beschikbare middelen een uitval tegen dit dorp te doen. In de eerste helft van April vertrokken ook de marinetroepen, die zich voortdurend door moed en beleid hadden onderscheiden, waardoor Laren van bezetting werd ontbloot. Om hierin te voorzien werd dit dorp door een compagnie schutters van het 3de bataljon bezet, terwijl Blaricum infanterie van linie in kantonnement werd gelegd. Het genie personeel bestond uit 11 officieren-ingenieurs en 4 fortificatie-opzichters. De Luitenant-kolonel Kuchler van het 4de artilleriebataljon werd belast met het materieel bij het belegeringskorps. De Generaal Kraijenhoff gaf bevel verhakkingen en doorgravingen te maken in den dijk en den straatweg, die naar Naarden voerden en tot het in beteren staat van verdediging brengen van de werken van de Karnemelksloot. Aan den rechtervleugel werden drie batterijen opgericht t.w. een aan den Zwartenweg voor Bussum en de beide anderen op de buitenplaatsen Berghuis (toebehoorende aan den Echenique) en Kommerrust. Het schijnt, dat vooral de werken door de genie aan beide zijden van de Karnemelksloot aangevangen, den vijand een doorn in het oog waren, want na getracht te hebben het voltooijen der werken door het vuur uit de vesting te verhinderen, deed hij, met het doel ze te vernielen en de arbeiders te verjagen, op den 14den Maart des morgens ten 9 uur een uitval.
De Kolonel Pfaffenrath rukt aan het hoofd van 150 man met twee stukken geschut in twee colonnes rechts en links van de Karnemelksloot, doch werd onder het vuur gekomen, zoo flink door geweer- en geschutvuur door belegeraars die zich in de pas opgerichte werken hadden opgesteld, ontvangen, dat hij, ofschoon te 11 uur nog 80 man tot versterking waren nagezonden, spoedig moest terugtrekken en door den kapitein Amsterdamsche schutterij tot zeer dicht onder de vesting werd nagezeten. Er vielen aan beide zijden vele dooden en gekwetsten. De Generaal Kraijenhoff liet zich in een schrijven aan den Burgemeester van Amsterdam zeer gunstig uit over de 1ste en 4de compagnie van het 4de bataljon Amsterdamsche schutterij wegens hun gedrag in het vuur.

Evenzeer onderscheidde zich de schutterij op den 24sten Maart toen de Kolonel Falba met een detachement van 400 man een poging waagde, om de batterij voor het verdedigingswerk aan de Karnemelksloot te vernietigen. Ofschoon hij zijn doel niet bereikte, werden toch al de gereedschappen, die aldaar aanwezig waren, verbrand. De troepen van de belegeraars, die den vijand tot den aftocht noodzaakten, stonden onder het bevel van den 1sten Luitenant Jan Paul Taunaij van de 4de compagnie 4de bataljon.
Gelukte het den 28sten Maart aan de belegerden om onder begunstiging van mistig weer, de watermolen van den Binnendijkschen Polder, die men vermoedde, dat den belegeraars tot seinpunt diende, in brand te steken, zoo waren zij op den 31sten der maand minder gelukkig in hun voornemen om de batterij bij Berghuis te bemachtigen en trokken zij onverrichter zake binnen de vesting terug.
Hierdoor echter niet afgeschrikt, werd die poging op den 3den April herhaald en wel met gunstig gevolg. Ditmaal rukte men niet zooals de vorige maal de Utrechtsche poort uit, doch maakte, door de Amsterdamsche poort uit te trekken en zich in de richting van de Zuiderzee te bewegen een omtrekkende beweging, waarna het de post, die onder bevel stond van een 2den luitenant van het 13de bataljon infanterie van linie, overviel. Met uitzondering van genoemden luitenant werd de bezetting met inbegrip van de marketenster gevangen genomen en het geschut vernageld, wat echter door overhaasting zoo slecht geschiedde, dat de stukken kort daarop weer bruikbaar konden worden gemaakt en daaruit den volgenden dag op de vesting kon worden gevuurd. De aanvallers telden 400 man onder het bvel van den Kolonel der douaniers Devilier.

 
Ondanks de uitvallen der belegerden waren in de eerste dagen van April de verschillende werken, op bevel van Generaal Kraijenhoff aangelegd, voltooid, en oordeelde de generaal het oogenblik gekomen om een begin te maken met het bombardeeren der vesting. Te vier uur des namiddags nam het bombardement een aanvang uit twintig vuurmonden der omliggende batterijen en duurde onafgebroken twaalf uren voort, terwijl meer dan duizend projectielen de vesting bereikten. Zonder veel uitwerking te hebben werd dit vuur door den vijand beantwoord. In de onderstelling, dat de commandant van Naarden thans tot onderhandelen zou te vinden zijn, zond de Generaal Kraijenhoff op den 5den April tegen 12 uur zijn adjudant Kolonel Verveer als parlementair naar de vesting, waar deze ontvangen werd door de Kolonels Daulle en Falba benevens de Maire. De onderhandelingen leidden tot niets, ofschoon in de vesting gebrek begon te heerschen. Aan de bezetting werd paardenvleesch uitgedeeld, terwijl de overige levensmiddelen slechts tegen zeer hooge prijzen verkrijgbaar waren. De krijgsgevangen Fransche Generaal Rostolland, die op den 9den April den Kolonel Verveer, die op nieuw als parlementair werd afgezonden, vergezelde, had een onderhoud met Kolonel Falba en deelde dezen den omkeer van zaken in Frankrijk mede. Kolonel Falba verklaarde geen andere tijdingen te zullen gelooven, dan die welke hem officieel door de Fransche regeering zouden worden toegezonden.
Generaal Kraijenhoff liet het bombardement in den nacht van 6 op 7 April herhalen. Dit was de laatste maal; aanvankelijk wegens gebrek aan voldoende munitie en later omdat den 13den April door den Souvereinen Vorst aan den generaal werd gelast zich van aanvallende maatregelen te onthouden. Deze lastgeving was gegrond op de gebeurtenissen in Frankrijk, die het vooruitzicht openden op een spoedige overgaaf van de nog door Franschen bezette vestingen. Wel verre van door dit laatste bombardement te zijn ontmoedigd, beproefde de vijand in den nacht van 7 op 8 April een vermeesteren der werken aan de Karnemelksloot, wat echter door de doeltreffende beschikkingen van den Luitenant-kolonel der schutterij Van Castrop en Kapitein Johan Veit Meffert adjudant van Kolonel Rittner mislukte. Bij het hier gevoerde gevecht werd Jacob Nicolaas Warin commandant der 4de compagnie van het 4de bataljon Amsterdamsche schutterij, door een geweerkogel in de dij gekwetst. Beter slaagde de vijand op den 21sten April (2de Paaschdag). Aan het hoofd van ruim 300 man en twee veldstukken rukte de Kapitein de Lannoy des namiddags ten 2,5 uur de vesting uit, in de richting van Muiderberg, waar hij, ondanks dapperen tegenstand aan de oostzijde binnendrong. De majoor Kamps rukte met de troepen uit Muiden tot ontzet aan en werd de vijand door de vereenigde pogingen van de bezetting van Muiden en Muiderberg verdreven voordat de inmiddels uit Weesp aangerukte afdeeling van 70 man van het 2de bataljon Amsterdamsche schutterij onder den Kapitein Meffert, adjudant van Kolonel Rittner, was aangekomen. De vijand werd eerst uit Muiderberg verdreven nadat hij twee 12 pd. Kanonnen en twee houwitsers had vernageld en twee officieren als krijgsgevangenen had medegevoerd. Een dier officieren, de commandant van Muiderberg Luitenant v.d. Hummel wed door den 1sten Luitenant W.G. Wehlburg aan het hoofd van een twintigtal schutters ontzet; de 2de Luitenant De Mielet van Coehoorn, die zwaar gewond was, werd binnen de vesting gevoerd, waar men zijn dapper gedrag naar waarde schatte door hem met onderscheiding te behandelen. Over de oorzaken der nederlaag van de bezetting van Muiderberg is indertijd veel getwist, zonder dat de waarheid daarmede aan het licht kwam; het valt echter niet te ontkennen, dat tegen overrompeling onvoldoende maatregelen waren genomen. Na door dit voorval leergeld gegeven te hebben, liet de generaal de post voor Muiderberg en bij het Hakkelaarshek zoodanig versterken, dat niet meer troepen, dan reeds te Muiden in bezetting lagen tot de verdediging van den linkervleugel behoefden te worden aangewezen.

Zooals reeds vroeger is opgemerkt, was de stelling, die door den rechtervleugel bij Oud-Bussum en Valkeveen werd ingenomen, versterkt door 450 man infanterie van linie, omdat men een aanval op Huizen vreesde. Deze maatregel bleek zeer goed te zijn geweest, want de vijand rukte in den morgen van den 17den April met 300 man onder bevel van Kolonel Falba langs den Oostdijk de vesting uit in de richting van Valkeveen, waar hij, door de troepen door Kolonel Van den Bosch zelf aangevoerd, zoodanig werd ontvangen, dat hij, ofschoon hem uit de vesting versterking werd toegezonden, tegen vier uur in den namiddag zijn heil moest zoeken in de vlucht. De Kolonel Van den Bosch stond met de troepen onder zijne persoonlijke leiding op den rechtervleugel. De 1ste Luitenant George Pietersz. Clifford van de 2de compagnie 3de bataljon Amsterdamsche schutterij stond met 50 schutters en de scherpschutters van Rooseboom in het centrum, terwijl de 1ste Luitenant Pieter Simon Nabal van de infanterie van linie met 40 tirailleurs aan den linkervleugel tegenover den vijand in stelling was. In het rapport van Kolonel Van den Bosch aan den Luitenant-generaal Kraijenhoff komt voor zoover de Amsterdamsche schutters betreft het navolgende voor "Zoomede heeft de Nationale Garde met een moed gevochten, die door niets kan worden gesurpasseerd". De 1ste Luitenant Clifford en de 2de Luitenant Hendriks das Meynts beiden van de 2de compagnie 3de bataljon Amsterdamsche schutterij benevens de cadetofficier Cornelis Christiaan Hendrik Bert van de 3de compagnie van hetzelfde bataljon hebben zich bij deze gelegenheid bijzonder onderscheiden. Van twee hunner maakte de Kononel Van den Bosch melding in een volgend rapport, waarin hij o.a. zegt: "Tot dusverre kan ik niets anders dan loueren het gedrag der schutters; in massa bivouaceeren zij iederen nacht met mijne soldaten. Twee officieren, met name de Luitenants Clifford en Bert, hebben gisteren hun volk met een voorbeeld voorgegaan, dan den braafsten soldaat eer aan doen zou". Aangaande de Amsterdamsche scherpschutters van Rooseboom, door dezen zelf aangevoerd, diende de Kolonel Van den Bosch een afzonderlijk rapport aan den generaal in , die dit in de Amsterdamsche Courant liet plaatsen. Omtrent Kolonel Van den Bosch werd door hen, die onder hem hadden gestreden, getuid, dat hij als het ware alom tegenwoordig was en zich kenmerkte door groot beleid en betoon van veel moed, welke eigenschappen een betooverenden invloed op allen uitoefenden, die onder zijne bevelen stonden. 

Dit was het laatste gevecht van eenige beteekenis. Aan de pogingen tot onderhandelen, sedert December steeds te vergeefs beproefd, werd eindelijk den 5den Mei gevolg gegeven. Voor de 16de maal verscheen een tromppetten met een parlementair voor de poort der vesting, thans vergezeld van een Fransch officier, de Adjudant-majoor Lude, die orders bracht van de nieuwe Fransche Regeering. Aangezien Generaal Quetard de door den Franschen officier overgelegde stukken niet volkomen vertrouwde, vertrok Kolonel Falba den volgenden dag, met toestemming van Generaal Kraaijenhoff, vergezeld van den Franschen officier en den Kapitein-ingenieur Willem Valter die hem werd toegevoegd, naar Haarlem, waar de Fransche bezetting van den Helder, die zich had overgegeven, dien nacht zou doortrekken. Na van den commandant dier troepen de noodige inlichtingen te hebben verkregen, keerde Kolonel Falba den 7den Mei naar de vesting terug en bracht van zijn bevindingen rapport uit. De Raad van Defensie te Naarden besloot na het erkennen van Lodewijk XVIII als Koning van Frankrijk diens bevelen te gehoorzamen om de vesting te ontruimen. Te 3.30 uur werd de Fransche driekleur door een witte vlag vervangen onder het lossen van 21 saluutschoten, die door de belegeraars met een gelijk getal werden beantwoord. Naarden werd ter beschikking gesteld van den Generaal Kraijenhoff, terwijl aan de bezetting werd vergund met drie stukken geschut, slaande trom en brandende lonten, dus met volle krijgseer de vesting te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren.

 
De majoor Kamps, die bevel gekregen had het commando van Muiden aan een kapitein der infanterie van linie over te geven, begaf zich den 12den Mei 's morgens vroeg met een officier en dertig man van de Amsterdamsche schutterij naar Naarden tot het overnemen en bezetten der posten. De Fransche bezetting verliet op dien dag des morgens ten zeven uur, met muziek en vliegende vaandels de vesting en defileerde op de Bussemsch heide voor de in linie opgestelde troepen der belegeraars. Deze trokken ten negen uur met den Kolonel van den Bosch aan het hoofd, onder het spelen der schutterijmuziek, de vesting binne. Een detachement cavalerie maakte de voorhoede uit. De hoofdmacht bestond uit: De vrijwillige scherpschutters onder bevel van den Kapitein Rooseboom; het 2de en 3de bataljon infanterie van linie onder den Majoor Rost van Tonningen en den Luitenant-kolonel Robert Bruce; het 1ste en 2de bataljon Amsterdamsche schutterij onder de Luitenant-kolonels Talbot en Schuyt van Castricum; het 4de bataljon infanterie van linie onder den Luitenant-kolonel Willem Poolman; het 3de en 4de bataljon Amsterdamsche schutterij onder de Luitenant-kolonels Lepeltak en van Castrop; het 13de bataljon infanterie van linie onder den Majoor Johan Baptist van Wintershoven; het 5de bataljon Amsterdamsche schutterij onder den Luitenant-kolonel Nuboer en de artillerie onder bevel van den Majoor Jan George Michael. Als achterhoede werd de colonne gesloten door een detachement cavalerie. Binnen de vesting gekomen, stelde deze troepen zich ter weerszijden van de straat en haie op tot ontvangst van Generaal Kraijenhoff, die ten 10 uur met zijn staf, voorafgaande door een detachement cavalerie, de vesting binnentrok, waarop de Nederlandsche vlag op den toren werd uitgestoken en met een salvo van 21 kanonschoten begroet. In den namiddag verscheen de Staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland, Tets van Goudriaan binnen de vesting, begeleid door een afdeling cavalerie, die hem door den Generaal Kraijenhof werd te gemoet gezonden. Zijne Excellentie stapte aan het raadhuis af, waar hij, in naam van den Souvereinen vorst de stad in bezit nam en de provisioneele regeering benoemde en installeerde. Te 6 uur 's avonds vertrokken de troepen, met uitzondering van het 4de bataljon infanterie van linie en een compagnie artillerie, naar hunne kantonnementen, die daags daarop werden opgebroken.
De marsch naar Amsterdam werd aangevangen met den Generaal Kraijenhoff aan het hoofd, onder geleide van een aanzienlijk gedeelte van den landstorm, bereikten de troepen onder het gejuich der menigte te 2 uur den Dam. De geestdrift was zeer groot en niet het minst gold dit de schutterij. De troepen werden op den Dam door de stedelijke regeering opgewacht en verwelkomd.


Den 23sten Mei vergaderde de schutterij op nieuw op den Dam om te worden ontbonden; bij welke gelegenheid de Staatsraad, Gouverneur van Noord-Holland, Tets van Goudriaan de volgende aanspraak hield:

Mijne Heeren!

Z.K.H. heeft mij de vereerde taak opgedragen U lieden en door dezelve geheel uwe dappere Manschap, Hoogstdeszelfs bijzondere tevredenheid en erkentenis te betuigen, wegen de vaderlandsliefde en moed, door de Nationale Garde der stad Amsterdam, onophoudelijk, zoowel gedurende het beleg van Naarden, als tijdens den Volksopstand tegen den overweldiger van Neerlands vrijheid en onafhankelijkheid aan de dag gelegd. Ik verheug mij die gevoelens van Onzen geëerbiedigden Souverein te mogen overbrengen aan Mannen, die aan hunne Landgenoten getoond hebben, hoe aanzien en vermogen de beste prikkels zijn tot de roemrijkste daden en de grootste opofferingen, aan de bewoners der Hoofdstad, welke, niet ontaard van den heldenmoed hunner dappere Voorvaderen, door daden bewezen hebben, in nood, goed en bloed veil te hebben voor Godsdienst en Vaderland.

Gij lieden alle Mijne Heeren, met alle uwe Braven, ontvangt op de oogenblik uit mijnen mond en dien van uwe Achtbare Regeering, die hulde aan uwe dapperheid, die vereerende goedkeuring van Vorst en Volk, welker aandenken door de geschiedrollen van Nederland gewaarborgd blijft. Het is in de jongste dagen ook door U lieden voldoende gebleken, dat de beste Burgers de beste verdedigers van hun Vaderland zijn en dat de onafhankelijkheid der Volken in de deugden der ingezetenen den sterksten steun vindt.

Ik heb in last U lieden allen en geheel uw Korps aan de Maatschappij, welke Gij lieden met uwen arm geschraagd hebt, weder te geven, en U lieden tot dien Huiselijken kring te doen terugkeren, welks genoegens zoozeer veredeld zullen worden door de bewustheid, van tot de rust en welvaart uwer betrekkingen, met terzijde stelling van gemak en gevaar, zoo veel te hebben toegebracht.

Ik verklaar dan op dit oogenblik, in naam van Z.K.H. onzen geliefden Souverein de Nationale Garde van Amsterdam te zijn ontbonden; ik noodig U lieden uit van dezen stond af, het krijgsleven weder door uwe vorige beroepsbezigheden te doen vervangen en aan uwe Medeburgers een bewijs te geven hoezeer Gij lieden op het voetspoor dier deugdzaame Romeinen welke den ploeg met het zwaard, en dit weder met den ploeg zoo wonderbaar verwisselden, in nood dappere soldaten en in rust nijvere en deugzame leden van den Staat zijt.

Burgers van Amsterdam! Gij lieden zijt bewoners van eene stad, welke zulke groote, zulke edele gevoelens allezins waardig is. Het komt U lieden toe zich tot een voorbeeld in Nederland te stellen en deszelfs geluk te verzekeren, dan zal deugd en dapperheid, bij de ingezetenen, zich met liefde en trouw bij Vorst en Regenten vereenigen en onder den zegen van God Almagtig, met vroegere eendracht en vlijt, vorige bloei en welvaart doen herboren worden.

Na deze aanspraak, waarmede de Lands Regeering zich voldoen van hare verplichtingen tegenover de schutterij meende te hebben gekweten, werd het Korps ontbonden en de wapens ingeleverd.

Te weinig is het bekend hoe de Amsterdamsche schutterij zich gedurende den winterveldtocht heeft onderscheiden door moed, ijverige plichtsbetrachting en niet het minst door taaie volharding, ofschoon zeer slecht gewapend en van slechte munitie voorzien, onvoldoende gekleed en niet geregeld betaald. Dat zij slecht gewapend was, blijkt uit een schrijven data 28 December 1813 van den commandant der schutterij aan Generaal Kraijenhoff, waarbij de commandant kennis geeft, dat bij het 1ste bataljon van de 452 geweren, 280 als geheel onbruikbaar in de termen vallen om te worden afgekeurd, 117 dringend reparatie vereischen en slechts 55 in bruikbaren staat zijn; bij het 4de bataljon waren van de 534 geweren, 240 geheel onbruikbaar, behoefden 104 reparatie en waren 190 bruikbaar. Opgaven betreffende den toestand der geweren van het 2de en 5de bataljon waren op dien datum nog niet ingekomen en zijn niet meer te vinden, wel dat de commandant der schutterij er op wijst, dat de grenadiers van zijn bataljon nog steeds niet in het bezit waren van sabels en bandeliers. Het 3de bataljon te Weesp schijnt het best gewapend te zijn geweest en slechts 50 onbruikbare geweren te hebben gehad, doch uit bovengenoemd schrijven blijkt, dat volgens rapport van den commandant van dat bataljon vele vuursteenen ontbraken en de patronen niet konden worden gebruikt omdat de kogels te groot van kaliber waren. Tengevolge van den slechten toestand der geweren had de kolonel-commandant der schutterij reeds een aanvraag om anderen gedaan, waarop dato 24 December 1813 door het provisoneel bestuur der stad Amsterdam werd geantwoord: de algemene militaire maatregelen van het Gouvernement reeds bepaald en zich van oogenblik tot oogenblik meer en meer ontwikkelende, hebben ons doen besluiten vooralsnog in het toestaan van de door U versogte geweeren etc. te difficulteeren. Dat de kleeding onvoldoende was blijkt uit een serie van zeer dringende officiëele brieven, waarin aangedrongen werd om de schutters bij dezen barren winter van kapotjassen te voorzien in plaats van de rokken (model der Fransche nationale garde van dien tijd). Hoe de generaal Kraijenhoff, gouverneur der stad Amsterdam en de omliggende forten, over die aanvragen dacht, blijkt uit een brief dato 28 December 1813 aan Kolonel van Brienen, nadat deze wederom had aangedrongen op het doen van aanmaken van kapotjassen.

Bedoeld schrijven luids als volgt:

In antwoord uwer missive van gisteren, houdende aanvraag tot het bekomen van meerdere capotten voor de Schutterij, heb ik de eer U te observeren, dat ik mij zou bezwaard gevoelen, indien ik orders gave tot het verder aanmaken van capotten voor een Corps 't welk waarschijnlijk binnen weinige dagen staat gesupprimeerd te worden en daar ik voorts de moeijelijkheid gevoel om de capotten te verwisselen, wanneer de afgeloste bataillons naar herwaarts zijn teruggekeerd, inviteer ik U om de nodige orders te geven, dat de Commandanten van alle zoodanige bataillons, compagniën of detachementen, welke ter vervanging van anderen naar Muiden, Weesp en de Uitermeersche Schans mogten vertrekken, op die plaats zelve, te gelijk bij de aflossing, de capotten overnemen, zooals zulks ook plaats moet hebben ten aanzien der scherpe patronen.

Ik vleije mij Mijnheer de Kolonel, dat de voorschreven verwisseling gene de minste zwarigheid zal veroorzaken, daar de heentrekkende of retournerende manschappen, eerder last, dan nut op den marsch van de capotten kunnen hebben enz. enz.

Deze maatregel bij de afwisselende terperatuur van 5 tot 8 graden Celsius onder nul was mogelijk geschikt geweest voor Laplanders, maar zeker niet te billijken voor inwoners eener groote stad, niet gehard tegen weer en wind. Dat de soldij, eerste bij besluit van den Souvereinen Vorste dato 12 februari 1814 vastgesteld, niet geregeld werd uitgekeerd, blijkt uit een schrijven dato 19 April 1814 door Kolonel van Brienen aan Generaal Kraijenhoff, naar aanleiding van een klacht van Kolonel van den Bosch, commandant van den rechtervleugel van het belegeringskorps, dat aan schutters in zes weken tijds slechts vier dagen soldij was uitbetaald.

Bedoeld schrijven van Kolonel van Brienen luidde aldus:

In antwoord op Uw Hoogedel. Gestr. missive van den 18den dezer (April) no 5 heb ik de eeur UHE Gestr. te berigten, dat de aanvragen tot betaling der soldijen door mij ingevolge het besluit van den Souverein aan den commissaris-generaal van het Departement van de Zuiderzee moet geschieden, door wien dezelve naar 's Hage wordt gezonden, waardoor gevolglijk eenigen tijd verloopt, derwijl de leeninglijsten telkens voor 15 dagen worden opgemaakt; hierbij komt dat sommige bataillons agterlijk zijnde met het inzenden der leeninglijsten, gelijk het geval is met het 4de bataillon, waarvan de leeninglijsten van 15 to 31 Maart l.l. den 10den April eerst zijn ingekomen.

Uit alles blijkt dat de toestand der schutterij van Naarden niet benijdenswaardig was. Van daar dat het ontbinden van het korps zonder eenig zichtbaar teeken van erkentelijkheid en waardeering als een groot verzuim van de Landsregeering moet worden beschouwd. Men had zich niet allen veel onbering getroost, maar velen hadden bovendien, omdat zij zich geruimen tijd aan hunne zaken moesten onttrekken, stoffelijke verliezen geleden.

Op het initiatief der Hoofdcommissie ter aanmoediging en ondersteuning van den Gewapenden dienst in Nederland werd, daar zij meende, dat dit uit den aard harer instelling op haren weg lag, besloten een Eerepenning te doen slaan, die bij kennisgeving data 15 Maart 1816, aan een zijden lint met de stads kleuren rood, wit en zwart, werd aangeboden aan hen, die aan het beleg van Naarden hadden deelgenomen. Aanvankelijk was de waarde, die men aan de medaille hechtte, niet groot. Zij werd beschouwd als een eenvoudig aandenken, waarvan de officiëele goedkeuring om in het openbaar te worden gedragen ontbrak, totdat 6 October 1816 een Koninklijk besluit verscheen, aldus luidende: Hebben goedgevonden en verstaan aan de Officieren en manschappen der Burgerkorpsen, weke bij het beleg van Naarden hebben gediend, het dragen van de Eerepenning, aan hen, door het Hoofdbestuurd van het Fonds ter Aanmoediging en Ondersteuning van den Gewapenden Dienst in de Nederlanden, geschonken, ter permitteeren, gelijk wij zulks permitteeren bij deze. Dit besluit was het gevolg van een verzoek, gericht tot Zijne Majesteit den Koning door den oud-Commandant der voormalige nationale garde van Brienen, toe generaal-majoor commandant-en-chef der schutterij te Amsterdam.

De waarde van het onderscheidingsteeken werd nog verhoogd door het Koninklijk Besluit van 26 September 1817 no 41 luidende: Dat de vergunning tot het dragen van Eerepenningen aan de leden der schutterij, welke zich bij de jongste omwending van zaken loffelijk hebben gedragen; zal worden verbeurd door de zoodanigen, die een onteerend vonnis te hunnen lasten hebben, enz.

De Eerepenning werd in zilver uitgereikt aan de officieren en minderen der voormalige nationale garde van Amsterdam en Weesp, aan de scherpschutters van Rooseboom en aan de Amsterdamsche burger-artillerie. De plaatsvervangers ontvingen bovengenoemde penning niet van zilver, doch aan hen, die zich gedurende het beleg door goed gedrag en ijverige plichtsbetrachting hadden onderscheiden, werd er een van brons vereerd. Het exemplaar uitgereikt aan Kolonel van Brienen werd in 1888 door zijn hoogbejaarde dochter persoonlijk ten geschenke aangeboden aan de Historische Verzameling der Schutterij te Amsterdam.